INLEIDING

Fragment uit mijn dissertatie M.W. van Boven, De rechterlijke instellingen ter discussie. De geschiedenis van de wetgeving op de rechterlijke organisatie in de periode 1795-1811 (Nijmegen 1990)

 

De rekrutering van de rechters in 1811

Toen eenmaal bekend was hoe de rechterlijke organisatie op Franse leest eruit zou zien en ook de plaats van de rechtbanken bekend was, moest de hele rechtspraak in gang gezet worden. Hiermee werden belast de de PG van Brussel François Beyts en de oud-minister van Justitie Cornelis Felix Van Maanen. Gezamenlijk hielden zij zich bezig met het maken van benoemingsvoorstellen, terwijl Beyts alleen voorbereidingen trof om de installaties van de rechtbanken op tijd te laten plaats vinden.

De animo om een rechterlijke functie aan te nemen in de nieuwe organisatie was vrij groot. De meeste leden van de hogere rechterlijke colleges in het Koninkrijk Holland stelden zich beschikbaar voor de nieuwe rechtscolleges. Op 16 augustus 1810 was iedereen die in het justitiewezen werkzaam was, hetzij als rechter, hetzij als klerk bij het ministerie, verzocht om een opgave te doen van zijn personalia en werkervaring. Deze opgaven dienden als basis voor de personele invulling van de te verwachten functies. De kandidaten voor een rechterlijk ambt dienden zich overigens ook vanzelf aan. In het archief van C.F. van Maanen bevindt zich een band met sollicitatiebrieven voor rechterlijke betrekkingen, die in totaal 191 brieven bevat. De sollicitanten hadden verschillende motieven om een funktie in de nieuwe Franse rechterlijke organisatie te ambiëren. De meesten voelden zich in de eerste plaats rechter, en wilden dat ambt ondanks de politieke en staatkundige wisselingen graag blijven uitoefenen. Dat gold met name voor de leden van de departementale gerechtshoven, voor wie de funktie van raadsheer een volledige dagtaak was, en die gewoonlijk van hun verdiensten moesten leven: deze rechters, circa 80 in getal, vormden de kern van de toen bestaande professionele rechterlijke macht. Voor velen was het aannemen van een betaalde funktie noodzaak geworden. De meer gefortuneerden onder hen zagen hun vermogen desastreus slinken door de tiërcering van de staatsschuld en het ineenstorten van de effectenhandel. De jongeren wilden hun baan graag behouden om in het onderhoud van hun vaak grote gezin met opgroeiende kinderen te kunnen voorzien. Degenen die al wat ouder waren, vreesden zonder werk te komen zitten en weer terug te moeten gaan naar de advocatuur. De appreciatie van dat beroep was klaarblijkelijk minder dan dat van het rechtersambt. Ten slotte waren sommigen bevreesd om benoemd te worden in een functie elders in het Keizerrijk, waardoor ze afscheid zouden moeten nemen van hun vertrouwde omgeving. Over het dwingende karakter van Napoleons benoemingen deden weinig bemoedigende geruchten de ronde. De oud-baljuw van Dordrecht en de Merwede, A. Hoynck van Papendrecht, die op het punt stond om -zeer tegen zijn zin- benoemd te worden tot rechter van instructie bij de rechtbank van eerste aanleg te Rotterdam, durfde niet te weigeren. Hij schreef Van Maanen:

Vandaar dat Van Maanen, die de meeste rechters wel kende, vaak als laatste toevlucht werd beschouwd. Rudolf Baelde, de president van het departementale gerechtshof van Holland, verwoordde de reden van dit gevoelen in een brief aan Van Maanen aldus:

Van Maanens bemiddelende rol werd nog versterkt door het weinig tactvolle en grillige optreden van Beyts, die zich weinig van privé-omstandigheden der kandidaten wenste aan te trekken; maar anderszins werd het Van Maanen door Beyts moeilijk gemaakt, omdat deze Van Maanen niet van al zijn aktiviteiten op de hoogte hield. Dat bemerkte Van Maanen, toen hij hoorde dat Beyts buiten hem om contact had gezocht met de presidenten van de voormalige departementale gerechtshoven.

De op papier belangrijkste rechterlijke funkties die moesten worden opgevuld, waren de drie voor Holland gereserveerde zetels in de Cour de cassation te Parijs. Van Maanen maakte een lijstje met de meest geschikte personen, waarbij hij ongetwijfeld niet alleen naar de deskundigheid van de kandidaten gekeken heeft, maar ook andere overwegingen heeft laten meespelen zoals de kennis van het Frans en de familieomstandigheden van de betrokkenen. Dat mogen we althans afleiden uit het feit dat op dit lijstje enkele namen voorkomen van personen, die in de toenmalige juridische wereld een weinig opvallende rol speelden. Van Maanens kandidaten waren J.E. Reuvens, C.T. Elout, G. Scholten, P.J. de Bye, J.J. Loke, G.J. Copes van Hasselt en J. Fenwick van der Gon. Allen bleken ernstige bezwaren te hebben tegen een benoeming. Reuvens liet Van Maanen weten dat hij vanwege de opvoeding van zijn zoon onmogelijk van huis kon, laat staan helemaal naar Parijs. Ook Elout wilde niet uit Den Haag weg. Hij wist als voormalig lid van de Conseil pour les affaires de Hollande maar al te goed hoe duur het leven in Parijs was, en meende dat het jaarsalaris van 15.000 FF voor hem en zijn gezin onvoldoende was. "Ik heb negen kinderen en geen fortuin", zo luidde zijn excuus. Van Maanen stelde de Grand Juge van het geringe enthousiasme van de kandidaten op de hoogte en voegde bij zijn schrijven de brieven met de geuite bezwaren. Ten slotte werd Reuvens, ondanks zijn protesten, toch benoemd, samen met P.J. de Bye en een nieuwe kandidaat, L. van Toulon, baljuw van Den Haag en een persoonlijke vriend van Van Maanen.

Ook het zoeken naar twee kandidaten voor de Conseil des Prises, die de zaken van de Raad van Judicature over de middelen te water en te land overnam, en die eveneens te Parijs zetelde, bleek een moeizame affaire. Slechts twee leden van de Raad van Judicature bleken bereid om een benoeming te aanvaarden: E.A. Verniers van der Loeff en P.Ph.G. Quint Ondaatje. De laatste was overigens erg verheugd over deze uitverkiezing en dankte Van Maanen hiervoor zeer hartelijk:

De meest begeerde posten waren ongetwijfeld de funkties bij het Keizerlijk Gerechtshof te Den Haag. Het Hof zou bestaan uit 40 raadsleden, onder wie de president, acht raadsleden-auditeur, een procureur-generaal en vier advocaten-generaal, en een griffier. De voordracht van kandidaten voor de funktie van raadsheer is vrijwel uitsluitend het werk geweest van Van Maanen. Maar in de selectie van kandidaten voor het ambt van advocaat-generaal en griffier werd hij door Beyts niet gekend. Volgens de instructies mocht alleen Beyts als procureur-generaal de leden van het Openbaar Ministerie aanzoeken. Voor de griffiersfunktie wilde de Franse regering een persoon die de Franse taal goed machtig was. Dat werd uiteindelijk J.F. Putseijs, griffier van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, en een goede bekende van Beyts. Hij zou zijn funktie tot de opheffing van het Keizerlijk Gerechtshof blijven uitoefenen. Putseys was een Luiks advocaat, die vanwege een zwakke gezondheid zich liet benoemen tot rechter-plaatsvervanger te Ieper en daarna als griffier van de rechtbank te Leuven. Hij werd door de president Van Maanen als oor en oog gebruikt voor de gang van zaken binnen het Hof en als controleur voor de subalterne rechtbanken en griffies. In die hoedanigheid werd hij zeer gewaardeerd. Na de omwenteling echter werd hij niet gecontinueerd, maar keerde hij terug naar Brussel, waar hij raadsheer werd aan het Hooggerechtshof aldaar.

Op 24 januari 1811 maakte Napoleon de benoemingen bekend. Tot advocaten-generaal werden aangesteld A.G. Philipse, procureur-generaal bij het Zeeuwse Departementaal Gerechtshof, J.C. van den Kasteele, procureur-generaal bij het Departementaal Gerechtshof van Holland, T.C. de Bordes, advocaat-fiscaal bij de Raad van Judicature te Amsterdam en J.C. Conradij, advocaat-fiscaal bij de Hoge Militaire Vierschaar te Den Haag. Van Maanen zou als Eerste president worden geassisteerd door vier presidenten voor de afzonderlijke kamers: namelijk de oud-staatsraad J.E. Reuvens, die in augustus 1811 als raadsheer in de Cour de cassation naar Parijs zou vertrekken, de oud-staatsraad A. van Gennep, de president van het voormalig Hoog Nationaal Gerechtshof B. Donker Curtius en de voormalig minister van Justitie en Politie A. Van Hugenpoth tot Aert. De keuze van de laatste zal niet door Van Maanen zijn toegejuicht. Van Hugenpoth was hem opgevolgd als minister van Justitie en Politie en tussen hen beiden zou volgens Kluit enige rivaliteit bestaan hebben, waarbij persoonlijke en wellicht ook godsdienstige tegenstellingen een rol speelden. Van Hugenpoth zou tot de opheffing van het Hooggerechtshof in 1838 vice-president blijven en zelfs de laatste jaren als oudste vice-president, belast met het feitelijke presidiaat.

Van Maanen had overigens andere kandidaten op het oog, onder anderen J.L. Farjon, die ook door Beyts benaderd was voor de functie van kamervoorzitter. Maar Farjon liet Van Maanen weten hier niets voor te voelen. Hij meende dat andere collega's op grond van anciënniteit voor zouden moeten gaan. Bovendien moest hij Van Maanen bekennen "van de Franse inrigtingen en manier van procederen weinig of niets te begrijpen". Later, toen bleek dat iedere kamer een president moest hebben, buiten de Eerste president, zou Farjon alsnog tot vijfde kamervoorzitter worden benoemd.

Van de overige raadsheren (34) waren de meeste afkomstig uit het Departementaal Gerechtshof van Holland (11) Zij werden in aantal gevolgd door Gelderland (6), het Nationaal Gerechtshof (6), Friesland, Groningen, Utrecht, Overijssel en Oost-Friesland (elk 2) en de Hoge Militaire Vierschaar (1).

Vrij nieuw was het fenomeen van de raadsheren-auditeur bij het Gerechtshof. Zij werden niet alleen ingezet voor de werkzaamheden bij het Hof, maar ook bij de hoven van assisen en de rechtbanken van eerste aanleg. Bij gebleken geschiktheid zouden ze in aanmerking komen voor een rechterlijke funktie. Bij deze benoemingen werd duidelijk gesteld: "sans néanmoins que l'anciennité suffise pour les obtenir". De keizer behield zich namelijk het recht voor "de choisir ceux qui nous seraient indiqués comme ayant merité cette distinction". Deze funkties waren dus bedoeld als een opstap naar een rechterlijke carrière. Eenzelfde idee had ook Joseph II voor ogen gestaan bij zijn creatie van écoutants voor de nieuw te vormen tribunaux de première instance in het kader van de rechterlijke hervormingen in 1787 in de Zuidelijke Nederlanden.

Voor de benoeming van de leden van de rechtbanken van eerste aanleg werd uiteraard ook geput uit het "reservoir" van kandidaten, die hun bekwaamheid reeds bewezen hadden in de departementale gerechtshoven en de stedelijke rechtbanken. De eis van gegradueerdheid bleek in de praktijk nauwelijks een probleem bij het vinden van bekwame personen. Op 15 december stuurde Van Maanen aan de Grand Juge een lijst van kandidaten voor de posten van vrederechter, vrederechter-plaatsvervanger en griffier bij de vredegerechten. De lijst was samengesteld in overleg met Beyts, aan de hand van voordrachten van de presidenten van de voormalige departementale gerechtshoven. Aan de kandidaten voor het ambt van vrederechter werden geen speciale professionele eisen gesteld. Voor Beyts en Van Maanen was het zaak toch een "profielschets" op te stellen, om hun keuze te vergemakkelijken. Zij toetsten de kandidaten aan criteria als goede naam, enig aards vermogen, een meer dan behoorlijke begaafdheid en aanleg en enige bestuurlijke of juridische ervaring. Kortom, men wilde graag een beroep doen op de lokale magistraten die hun sporen reeds verdiend hadden. De griffiers zocht men onder een andere categorie personen, namelijk "hommes, actuellement emploiés dans l'ordre judiciaire", onder wie dorps- of gerechtssecretarissen, praktizijns of notarisklerken. Zij zouden een belangrijke steun moeten zijn voor de vaak niet juridisch geschoolde vrederechters. Hoe belangrijk het complementaire karakter van het griffiersambt bij de vredegerechten wel was, blijkt uit een brief die Van Maanen ontving van de Groninger G.J.C. Bacot, raadsheer in het Keizerlijk Gerechtshof te Den Haag. Daarin maakte deze melding van een klacht van Haro Caspar van In- en Kniphuisen, heer van Nienoord, die benoemd was tot vrederechter van het kanton Leek. Omdat hij weinig juridische kennis bezat, had hij om een rechtskundig griffier gevraagd. In de voordracht die de president van het voormalige Departementaal Gerechtshof van Groningen had gemaakt, was met deze wens rekening gehouden. Maar tot grote teleurstelling van de nieuwe vrederechter was toch een ander benoemd, die weinig juridische kwaliteiten bezat. Hij wendde zich nu via Bacot tot Van Maanen, omdat hij vreesde zijn funktie niet naar behoren te kunnen uitoefenen.

Bij Keizerlijk Decreet van 4 januari 1811 werden de vrederechters, hun plaatsvervangers en griffiers benoemd. Hierbij bleek de voordracht onveranderd te zijn overgenomen. De meeste benoemden accepteerden hun nieuwe functie, maar een enkeling verontschuldigde zich, omdat hij een ambt bekleedde dat wettelijk onverenigbaar was met dat van vrederechter. Ongetwijfeld zullen hierbij financiële afwegingen gemaakt zijn.

Overigens moeten we ervoor oppassen uit deze algemene acceptatie de conclusie te trekken dat de Franse organisatie direct na de inlijving door iedereen omarmd werd. Waarschijnlijk heeft een groot deel van de benoemden zijn functie geaccepteerd niet alleen omdat men een bron van bestaan wilde hebben, maar ook uit vrees in het geval van weigering bij het Franse bestuur in diskrediet te geraken met alle nare gevolgen van dien. De meeste kandidaten werden bovendien van tevoren gepolst. Volgens Fockema ontvingen de leden van het Friese Departementaal Gerechtshof enige tijd voor de invoering van de Franse rechterlijke organisatie in ons land

Het zoeken naar geschikte personen voor de vakante funkties bij het Openbaar Ministerie was een aangelegenheid, die Beyts alleen regardeerde. Hij liet dat Van Maanen per brief op 14 januari 1811 weten. Napoleon had namelijk beslist dat zowel de leden van de tribunaux des douanes te Utrecht en Groningen als de procureurs-impériaux bij de rechtbanken van eerste aanleg moesten zijn "sujets qui n'appartiendraient pas à la Hollande." Dat betekende dat de inmiddels naar Parijs verzonden voordrachten moesten worden aangepast. Beyts wilde dat zelf doen, omdat hij veronderstelde dat Van Maanen niet bekend was met geschikte kandidaten buiten Holland. Uiteindelijk zouden voor de genoemde funkties voor het merendeel landgenoten van Beyts worden benoemd. De oorspronkelijk voorgedragen kandidaten werden nu bij de rechtbanken van eerste aanleg als rechter van instructie aangesteld. Dit keizerlijk benoemingsbeleid was waarschijnlijk ingegeven door een wantrouwen tegen de Hollanders op het gebied van de naleving van de Franse wetgeving inzake de belastingen en de contrabande. Lebrun betreurde dit beleid van de keizer zeer. In een brief van 15 januari 1811 berichtte hij hem:

Deze vrees bleek overigens ongegrond. Weinigen weigerden uiteindelijk de hun aangeboden functie van rechter van instructie, vermoedelijk om redenen die we hiervòòr al hebben genoemd.

De inwerkingtreding van de Franse rechterlijke organisatie

Nu de benoemingen bekend waren, de zetels van de rechtbanken nader bepaald en de rechtsgebieden omschreven, konden de nieuwe rechterlijke organisatie en de Franse wetten worden ingevoerd. Dat zou gebeuren vanaf de dag van de installatie van het Keizerlijk Hof. Deze werd bepaald op 1 maart 1811. Voordien, op 27 en 28 februari, zouden de vrederechters en de rechtbanken van eerste aanleg worden geïnstalleerd. Beyts was met de hele organisatie hiervan belast. Op 14 februari deed hij alle voorgedrukte benoemingsbrieven de deur uit. Tevens schreef hij de prefecten aan en deelde hen mede dat op de bovengenoemde dagen de installaties van de rechters en rechtscolleges zouden moeten plaats vinden. Voor die tijd dienden de oude rechtscolleges te worden gedechargeerd. Dat gebeurde meestal direct voorafgaande aan de installatieplechtigheid. Als een ware demonstratie van hetgeen de Franse administratie kon presteren, vonden op de genoemde dagen in heel het land de installaties plaats door de prefecten, sous-prefecten of hun plaatsvervangers. Alles verliep vlekkeloos. De plechtigheden gingen met veel ceremonieel gepaard. Het proces-verbaal van de officiële installatie van de rechtbank van eerste aanleg te Zwolle maakte gewag van veel militair vertoon. De prefect en de commandant van het garnizoen begaven zich per koets naar het stadhuis en werden geëscorteerd door ruiters te paard. Voor het stadhuis stond de gewapende burgerwacht aangetreden. In Arnhem luidden de klokken en speelde het carillon feestelijke melodieën. Ook bij de installatie van het vredegerecht in Den Haag trad de burgerwacht aan. De installaties zelf namen weinig tijd in beslag. De keizerlijke benoemingen werden door de griffier voorgelezen en de benoemden werden de eed afgenomen volgens de vaste formule: "Je jure obéissance aux constitutions de l'Empire et fidelité à sa Majesté l'Empereur." Uit de serie processen-verbaal blijkt dat vrijwel alle benoemden bij deze plechtigheden aanwezig waren en niemand enigerlei bezwaar had tegen de eedsformule. Alleen van de nieuw benoemde keizerlijk procureurs bij de rechtbanken, meestal Belgen, waren velen niet op tijd bij de installatie aanwezig. Sommigen lieten zelfs helemaal niets van zich horen, zoals de procureur van de rechtbank van Heerenveen, de Belg Van Merstraeten, die volgens het proces-verbaal

Een grootse gebeurtenis was ongetwijfeld de installatie van het Keizerlijk Hof op 1 maart 1811. Napoleon had de staatsraad Gogel aangewezen om uit zijn naam dit hoogste rechtscollege van ons land plechtig te beëdigen. Het werd een zeer stijlvolle bijeenkomst, waarvan een nauwkeurig proces-verbaal is bijgehouden. Gogel, Beyts en Van Maanen voerden hierbij het woord. Weinig enthousiast zal men geweest zijn over de woorden van de Zuidnederlander Beyts, die het oud-vaderlandse rechtssysteem hekelde en de nieuwe Franse instellingen en wetboeken aanprees als "les avantages multipliés ". Van Maanen koos zijn woorden wat meer overwogen. Hij wist dat het uitoefenen van deze nieuwe functie veel weerstanden zou oproepen, maar riep zijn collega's op

Hij refereerde aan de goede naam van de Hollandse rechters, door hen te vragen "à conserver l'integrité, la modestie, la candeur et la stricte incorruptibilité, qui a constamment été leur appanage". Op verzoek van Beyts werd het proces-verbaal van de installatie vermenigvuldigd en verspreid over alle rechtbanken en vredegerechten in het land.

De inwerkingtreding van de rechtbanken van koophandel liet langer op zich wachten. De leden konden pas op 20 maart 1812 door de Keizer worden benoemd, omdat geschikte kandidaten zeer moeilijk te vinden waren. De presidenten waren beroepsjuristen, maar de vier bijzitters moesten gerecruteerd worden uit de plaatselijke kooplieden. Er bestond voor een functie als bijzitter, waaraan slechts een geringe vergoeding verbonden was, zeer weinig animo. De meesten bedankten voor de eer en dat werd de Franse regering uiteindelijk zo gortig, dat zij weigeringen niet meer accepteerde. Pas in de maanden mei en juni 1812 werden deze rechtbanken geïnstalleerd tijdens vrij sobere plechtigheden, die plaats vonden ten overstaan van de leden van de rechtbanken van eerste aanleg.